Bretten Geschiedenis

In de "Brettenbode"  van december 2010 is een artikel verschenen over “De Historische Atlas van de  Bretten en de Brettenzone”. Daarin staat wat er na onderzoek is gevonden over De Bretten en De Brettenzone.

Maar...Volkstuinpark De Bretten heeft natuurlijk ook zijn eigen geschiedenis. Dit is in 1996 door Kees Schaak, destijds redacteur van het clubblad, uitvoerig op schrift gesteld.

Het hele boekje uit 1996 met de ontstaandsgeschiedeis en 20 jaar wel en wee is in PDF te lezen. Je steekt er echt iets van op, veel plezier met het lezen!

 http://www.tuinparkdebretten.nl/bestanden/Jubileumuitgave_bij_20-jarig_bestaan_van_De_Bretten.pdf

Hieronder volgt het artikel uit de "Brettenbode"

De Atlas

       mvc-002f

Op het voorblad  is een van de kaarten afgebeeld van het gebied die laat zien zo als het er van 1600 tot 1800 heeft uitgezien met daarin aangegeven het huis  “Te Bretten”, waar ons tuinpark naar is genoemd.

Hierboven is dus te zien dat het huis “Te Bretten” aan het water lag. Het was een herberg dat later een restaurant werd waar men vis kon eten door een aanlegsteiger waar schepen konden worden gelost.

In “De Historische Atlas” wordt het volgende over de polder en Huis Te Bretten geschreven;

“Sinds het begin van de jaren 1970 wordt het gebied ten westen van Sloterdijk aangeduid als De Lange Bretten. Ook ligt hier volkstuincomplex “De Bretten” en, rond de puinheuvels bij de Australiëweg, een nooit volledig uitgevoerd “Park Brettenburg”. Tegenwoordig geldt de benaming “Brettenzone”voor de gehele scheg tussen de Haarlemmerpoort en Halfweg. Voor een verklaring van deze naam moeten  we terug naar de zeventiende eeuw. De aanleg van de Haarlemmertrekvaart in 1631-1632 sneed dwars door het landschap. Ten westen van Sloterdijk bleef een driehoekig stuk land over, gelegen tussen de trekvaart, de dijk en een oude dijkdoorbraak, de Jan Louwenbraak.

In de punt van deze driehoek stond een huis. Vanaf 1673 werd dit gebouw afwisselend aangeduid met de namen “Huis te Britten”, “Huis te Bretten” en “Brittenburg”. In de achttiende eeuw kwam de huisnaam ook voor als familienaam, in de vorm “Van Bretten” . De naam was ontleend aan “Brittenburg”, een Romeinse versterking waarvan de resten bij Katwijk aan Zee lagen, en vanaf 1520 regelmatig boven water kwamen. De stenen fundering van dit bouwwerk trok veel aandacht en speelde een rol in de verspreiding van de “Bataafse mythe”, het idee dat de Hollanders afstamden van de dappere Bataven, die de Lage landen in de Romeinse tijd zouden hebben bewoond.

De naam “Brittenburg”zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van een riant buitenhuis aan de trekvaart. Het naastgelegen “Braak en Hoeve” was zo’n groot buiten, en komt vanaf 1709 in bronnen voor. Maar dergelijk huizen waren vrijwel altijd eigendom van rijke stedelingen, en het “Huis te Bretten” was van ingezetenen van Osdorp en later Sloterdijk. Op het kleine perceel, ingeklemd tussen vaart en dijk, was geen ruimte voor een grote tuin passend bij een buiten. Gezien de ligging tussen de beide verkeersroutes lag een andere functie voor de hand: die van een herberg of tapperij. Een opvallende naam als “Brittenburg” kwam, meestal in combinatie met een uithangbord, ook voor bij de horeca. Ook de aanwezigheid van een omheinde tuin kan voortkomen uit het gebruik als tapperij.

Uit recent onderzoek blijkt dat het “Huis te Bretten” in de achttiende eeuw met -wisselend succes- is uitgebaat als tapperij en restaurant. In 1785 werd het huis, bij de verkoop aan Joseph Waamhoff uit Sloten, omschreven als een “wel ter nering staande herberg”. Waamhoffs erfgenaam Frans Hendrik Sluyter vroeg in 1788 toestemming aan het hoogheemraadschap om een deel van de Spaarndammerdijk te mogen gebruiken voor uitbreiding van de laad- en lossteiger. Deze diende “voor vis van Egmond aan Zee met een boeier aangevoerd wordende”.

 Hieruit blijkt dat het “Huis te Bretten” in gebruik was als restaurant, waar men verse vis kon eten die direct (en buiten de stedelijke accijnzen van Haarlem of Amsterdam om) vanuit Egmond werd aangeleverd. Een overgeleverde boedelinventaris wijst op een nevenfunctie van het gebouw als onderkomen van een rietsnijder. In 1752 lagen in het huis 5000 bossen riet opgeslagen. Langs de dijkvoet, de braken en de trekvaart was meer dan genoeg riet voorhanden. Het werd verkocht om te worden gebruikt als dakbedekking. Rietsnijden is seizoensgebonden: het vind alleen plaats in de winter. Een jaargetijde wanneer er voor de herberg waarschijnlijk weinig klandizie was.

In 1838 was Jan Goedkoop (red)** eigenaar van de driehoek. Samen met de aannemers van de spoorlijn Amsterdam-Haarlem liet hij het land een meter diep uitgraven. De grond werd gebruikt als bekleding van het spoortalud. Men wilde op het afgegraven land een elzenbosje aanleggen. Rijnland gaf toestemming voor het uitgraven van de polder. Men zag er geen gevaar in voor de Spaarndammerdijk.  P. de Leeuw, de opzichter van het hoogheemraadschap, voorzag overigens wel het ontstaan van “eene waterpoel” in plaats van een bos. Het lijkt erop dat De Leeuw gelijk gekregen heeft. Door de verlaging van het maaiveld werd aparte bemaling onontkoombaar. Kort na 1850 is op kaarten een molen te zien. Deze diende voor de afwatering van het poldertje. De aanleg van het spoor leidde zo tot het ontstaan van de kleinste waterstaatkundige eenheid in Rijnland: de polder “Huis te Britten”. Het poldertje mat drie hectare, drie are en 29 centiare. Bij dezelfde gelegenheid, de aanleg van de spoorweg, is het huis gesloopt waaraan de polder zijn naam ontleende. Overigens wordt het huis in de historische bronnen veel vaker “Huis te Britten “ dan “Huis te Bretten”genoemd. Vanuit dit oogpunt was de benaming “Brittenzone”correct geweest.”

 ** Jan Goedkoop (7-11-1781 – 1-3-1855) van de latere “Reederij Gebr. Goedkoop” (red.)